Ga naar hoofdinhoud

Een nieuwe schouder

Wanneer de klachten door slijtage van de schouder te erg worden, kan men ervoor kiezen om een prothese te laten plaatsen.
De twee belangrijkste indicaties voor een schouderprothese zijn:

  • ernstige slijtage van het schoudergewricht (omartose)
  • een niet meer te repareren scheur in de pezen rond de schouder (rotator cuff).

Er bestaan twee typen schouderprothesen. Afhankelijk van de conditie van de spieren en pezen rondom de schouder zal een keuze worden gemaakt voor een “gewone” (anatomische) prothese of een “omgekeerde” (reverse) prothese.

Anatomische schouderprothese

Indien er sprake is van een versleten gewricht met intacte spieren en pezen, kan het gewricht vervangen worden door een kunstgewricht dat dezelfde bouw heeft als het schoudergewricht. De kop wordt vervangen door een kop van metaal en de kom wordt vervangen worden door een kunststof oppervlak. Men kan er voor kiezen alleen de kop te vervangen. In dat geval praten we over een hemiprothese. Bij een fractuur van de schouderkop is dit een gebruikelijke ingreep, omdat de kom daarbij niet aangetast is. Bij artrose is echter zowel het kraakbeen van de kop als de kom versleten. Er wordt dan bij voorkeur het gehele gewricht vervangen.

Reversed schouderprothese

Wanneer er ook sprake is van slijtage van de rotator cuff of de spieren ernstig verzwakt zijn, kan de schouder ook met een nieuw gewricht niet goed functioneren omdat er geen goede kracht en geen goede spierbalans rond het schoudergewricht is. Er wordt dan gekozen voor een omgekeerde schouderprothese (reversed). Bij deze prothese wordt een bol op de oorspronkelijk kom geplaatst en een kom op de plaats van de kop. Nu draait er dus een kom om een kop. Doordat de kom hierdoor onder een bol zit kan de bovenarm niet meer omhoog glijden tegen het schouderdak. Het gewricht wordt door deze constructie zodanig stabiel dat de pezen van de rotator cuff aan de bovenzijde niet meer nodig zijn om de kop van de schouder op zijn plaats te houden. De schouderspier (m. deltoideus) kan nu in zijn eentje de arm gemakkelijk heffen.

De opname en de nabehandeling bij een schouderprothese

Normaal bedraagt het verblijf in het ziekenhuis één nacht. Na één tot twee weken verdwijnt de operatiepijn. De nabehandeling bestaat uit het dragen van een sling gedurende ongeveer 6 weken. Na wat slingeroefeningen in de eerste 2 weken kan worden gestart met fysiotherapie. Bij de pees sparende techniek kan er een versneld oefenschema toegepast worden. Er mag meteen na de operatie met de schouder geoefend worden zodra de pijn en de wond dat toestaat. Na 2 weken mag de sling binnenshuis af. U mag de arm voorzichtig gebruiken en bewegen op geleide van de klachten. Indien gewenst mag de sling dan ook ’s nachts af.

Prognose

Het resultaat en de prognose betreft het plaatsen van een schouderprothese zijn over het algemeen positief. Verwacht mag worden dat de pijn verdwijnt. Hoe goed de beweeglijkheid (functie) herstelt, is bij de schouder afhankelijk van veel factoren. Een ervaren fysiotherapeut kan u hier zo goed mogelijk bij begeleiden.

Back To Top